Woordenrijk

Lagere School jaren zestig. Aan de muur hing de letterkaart van uitgeverij Dijkstra in Groningen. Onderaan de kaart stond: ‘een goede hand in Nederland.’ De schrijfletters op de kaart waren ons voorbeeld. Zó moesten we dus leren schrijven. 

Het begon met een papier waarop de onderwijzer invulletters had gestempeld. Deze hadden de vorm van de schrijfletters op de wandkaart. We kregen aanwijzingen over hoe we de letters met een potlood mochten inkleuren. Bij de ‘a’ eerst het bochtje links naar beneden en dan pas het kromme streepje van boven naar beneden. Zo raakten we spelenderwijs vertrouwd met de kleine letters en de hoofdletters van het alfabet.  

Al gauw mochten we de letters zelf tekenen in ‘schrijfschriftjes’. De kaft was groen. Op de voorkant stond Sint Joris afgebeeld op een paard dat een draak vertrappelde. Onder dit plaatje stond de spreuk ‘Ten strijde tegen de slordigheid’. Slordigheid was de draak die we door schoonschrift moesten verslaan. Elke bladzijde was versierd met vette lijntjes, die door dunnere lijntjes werden afgewisseld. Iedere letter moest tussen het eerste en tweede lijntje. Een hoofdletter en letters met een lusje naar boven, zoals bijvoorbeeld de ‘b’, moesten een lijntje hoger. Een lusje naar beneden, zoals bij de ‘g’, moest een lijntje of lager. 

En dát allemaal met een kroontjespen. Daarin zat halverwege een gaatje. Het pennetje mocht tot aan het gaatje worden gestipt in het glazen inktpotje rechts in de bank. Ik was van nature links, maar werd vanwege de kroontjespen verplicht mijn rechterhand te gebruiken. Iedere letter was een tekening die inspanning vereiste tot het spontaan ging. Toch klonk duizenden keren in de klas: ‘Netjes tussen de lijntjes blijven!’

Okki

Uiteraard werd ook gelezen. Hardop. Klassikaal. Het begon stuntelig, maar werd steeds beter. Elke klasgenoot had een eigen stem, een eigen manier van lezen. Kinderen van klas een, twee en drie lazen ‘Okki’ (Onze Kleine Katholieke Illustratie) en die van vier, vijf en zes ‘Taptoe’.  

We hadden als kinderen niet kunnen indenken dat die letters ons levenslang zouden bezighouden want er gaat geen dag voorbij zonder lezen of schrijven – al hebben kroontjespen en schoonschrift het verloren van de toetsenborden. 

De dag van de alfabeet begint ’s morgens met de alarmklok die de tijd aangeeft en daarna gaat het heel de dag door: de krant, de mails met bijlagen, een boek, de apps, het navigatiesysteem in de auto en noem maar op. En wie ontkomt aan schrijven? Steeds diezelfde zesentwintig letters, steeds in een nieuwe originele volgorde. Hoe verzinnen we het? Ongelofelijk wat die eenvoudige tekentjes zoal teweeg brengen in onze hersenen. Letters vormen immers woorden en die verwoorden betekenis en dat raakt ons. We leren met deze ‘Arabische’ letters allerlei Europese en andere talen… Zonder taal kunnen we geen betekenis geven aan ons leven…

‘Wie schrijft, blijft’  wordt wel eens gezegd. Sommige verhalen zijn de moeite van het lezen heus waard. Daarom lees ik niet alleen in de krant het nieuws van de dag, maar ook enkele teksten die al eeuwenlang meegaan:

‘Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond’ (Joh. 1:14).