Kerkgang

Nog niet zo lang geleden was de term ‘zondagsplicht’ een normaal woord. ‘We moesten vroeger naar de kerk!’ zeggen nog steeds veel ouderen, hier al gauw de vele doordeweekse schoolmissen aan toevoegend. Het eerste van ‘de vijf geboden van de heilige Kerk’ was: ‘Op zondagen en verplichte feestdagen deelnemen aan de Eucharistie en afzien van slaafse arbeid.’ Was? Dit ‘gebod’ is niet afgeschaft, maar ook niet meer gangbaar.

In de vorige eeuw verschoof de nadruk van de zondag naar het (lange) weekend. Volgens de cijfers heeft voor velen de zondag nog weinig met kerk te maken. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek rekent 54% van de Nederlanders van 15 jaar of ouder zich niet tot een religieuze groep, is 20% van de Nederlanders katholiek en 15% protestant. Van de gereformeerden en PKN’ers gaat 60% minstens een keer per maand naar de kerk; bij katholieken is dit 17%.

Hoe zal de toekomst zich ontvouwen? Zullen de meeste kerken vooral ouderenbewegingen blijven? Worden de volkskerken van weleer onbeduidende sekten?

Het is verleidelijk vooral sociologisch te denken, vanuit statistieken en prognoses. We wonen nu eenmaal in een wereld waarin vergelijkbare cijfers tellen, metingen, aantallen en percentages.

Toch leefde er ooit Iemand die tot zijn vrienden zei tijdens zijn laatste avondeten: ‘Blijft dit doen om Mij te gedenken!’[1] Met ‘dit’ bedoelde hij niet alleen het gebod tot onderlinge liefde dat hij onder het eten gaf, [2] maar ook het samenkomen rondom brood en beker.

Waarom vond Jezus dit samenkomen zo belangrijk? Jezus, mensenkind en Zoon van God, zag zichzelf als een Verbondsaanbod.[3] Voor een verbond zijn verbondspartners nodig. Deze partners verplichten zich tot elkaar. Het valt te vergelijken met een huurcontract, een arbeidscontract, een huwelijkscontract, maar gaat nog veel dieper. Een verbond is namelijk meer dan een afspraak of belofte. Het is een relatie die eerbiediging verdient. Jij en ik gaan samen iets aan. De kern van het christendom is ronduit drastisch: Ik geef mijn leven voor jou; geef jij ook jouw leven voor Mij? Ik herstel jouw relatie met God. Sta je hiervoor heus open?

Het verbond is dus geen opleggerij maar een mystiek aanbod dat vraagt om een innerlijk ja, een levenslang groeiproces dat bestaat uit vallen en opstaan.

Vanwege het verbond kwamen de eerste christenen trouw samen.[4] Toen het christendom de overstap maakte van vervolgde sekte naar publieke godsdienst, werd de zondag ‘de dag van de Heer’.[5]  

Zondagsplicht kun je niet opleggen. Dat werkt averechts.

‘Hou je van Mij?’ vroeg Jezus ooit tot drie maal toe aan Simon Petrus en eigenlijk aan iedereen.[6] Wie hierop ‘ja’ zegt, verplicht zichzelf tot verdieping. Waarom? Omdat vrijblijvende liefde niet bestaat.

Wie heus ‘ja’ zegt, ontkomt niet aan ‘Blijft dit doen om Mij te gedenken’ en staat dus meteen in de eeuwenoude traditie die al bij de prilste leerlingen begon.   

jtw


[1] Lk. 22: 19; 1 Cor. 11:24

[2] ‘Dit is mijn gebod, dat ij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad. Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden. Gij zijt mijn vrienden, als gij doet wat Ik u gebied.’ (Joh. 15: 12, 13)

[3] ‘Neemt, eet, dit is mijn Lichaam.’ (Mt. 26:26) ‘Neemt, dit is mijn Lichaam.’ (Mk. 14:22) ‘Dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt.’ (Lc. 22:19) ‘Dit is mijn Lichaam voor u. Doet dit tot mijn gedachtenis.’ (1 Cor. 11: 24)

‘Dit is mijn Bloed van het Verbond dat voor velen vergoten wordt.’ (Mt. 27:28). ‘Dit is mijn Bloed van het Verbond, dat vergoten wordt voor velen.’ (Mk. 14:24) ‘Deze beker is het nieuwe verbond in mijn Bloed, dat voor u wordt vergoten.’ (Lk. 22:20) ‘Deze beker is het nieuwe verbond in mijn Bloed. Doet dit elke keer dat gij hem drinkt, tot mijn gedachtenis.’ (1 Cor. 11: 25)

[4] ‘Zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed.’ (Hand. 2: 42)

[5] Jezus overleed op vrijdag en verrees ‘op de derde dag’, op de zondag dus.

[6] Na het ontbijt zei Jezus tot Simon Petrus: ‘Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij meer lief dan dezen?’ Hij antwoordde: ‘Ja Heer, Gij weet, dat ik U bemin.’ Jezus zei hem: ‘Weid mijn lammeren.’ Nog een tweede maal zei Hij tot hem: ‘Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?’ waarop deze antwoordde: ‘Gij weet dat ik U bemin.’ Jezus hernam: ‘Hoed mijn schapen.’ Voor de derde maal vroeg Hij: ‘Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?’ Nu werd Petrus bedroefd omdat Hij hem voor de derde maal vroeg: ‘Hebt ge Mij lief?’ en hij zei Hem: ‘Heer, Gij weet alles: Gij weet dat ik U liefheb.’ Daarop zei Jezus hem: ‘Wijd mijn schapen.’ (Joh. 21: 15-17)